Taxi Rudi (Vranckx)

taxilogo

*Meeuw* -ik bedoel- *geeuw*,

Half zeven. Zowat anderhalf uur geleden wakker gezoemd door een mug en ondertussen al een poos genietend -nu ja- van de tierende zeemeeuwen aan de Oostendse kustlijn. De lelijke vogels rijgen de hoogste en schelste noten aan elkaar in een kwelerige jazz die m’n opzettende koppijn bevordert, het zachte geluid van de golven en m’n slapend lief ten spijt. Bij wijze van afleiding en ontspanning misschien toch maar een blogje schrijven denk ik, terwijl ik me afvraag hoe en waar de gemiddelde zeemeeuw eigenlijk aan haar einde komt. Als vismaaltijd, met gespreide vleugels en kop in het water? Soit.

Gisteren werd op de 10de editie van het Filmfestival van Oostende de nieuwe prent van Nic Balthazar voorgesteld; een knappe film waarvan ik onder de indruk was. Een aanrader. Niet omdat mijn lief er een rolletje in speelt of omdat stand-upper Jeroen Leenders een opmerkelijke acteerprestatie neerzet, maar gewoon omdat de film echt wel binnenkomt in de bovenkamer en een thema aansnijdt dat bij velen een belletje zal doen rinkelen. Want zijn we niet allemaal een beetje overwerkt? Lopen we onszelf al niet eens een keer of zesentwintigduizend vierentwintig miljoen keer voorbij?

Op de rode loper vertelde ik cast member en officieuze vermageringskampioen Kamal Kharmach over mijn meest memorabele ontmoeting in Berlijn. Twee daagjes was ik er. Net genoeg tijd om een aantal interessante mensen te ontmoeten en een geweldige song te schrijven. De M45 die ik aan de Akademie Deutsche POP nam, zette me tijdig af aan het station Berlin Zoologischer Garten, waar ik in al mijn blondheid mijn trein liet voorbijrijden. Ik heb steeds mijn zakje ‘ja maar’-excuses bij de hand, maar je schiet er werkelijk geen meter mee op. Een taxi dan maar.

Zijn leeftijd schat ik rond de vijftig, zijn doorleefdheid en intelligentie een pak hoger op de desbetreffende schalen. De taxichauffeur leek stomverbaasd dat er in een klein land als België ghetto’s bestonden in steden als Brussel en Charleroi, waar terreurorganisaties makkelijk leden konden rekruteren. Ik kreeg gratis geschiedenislessen over hoe de drie luchthavens in Berlijn onlosmakelijk verbonden zijn met Oost en West, met Hitler en/of met de Koude Oorlog. En hoe het ‘nieuwe Duitsland’ graag van alle (gewetens)belastende ballast af wil, hoe het merendeel van de Duitsers liever wil vergeten en geneigd is om alsmaar te vernieuwen: luchthaventje sluiten en een nieuwe bouwen. Alsmaar beter, alsmaar groter.

Voor ik er erg in had was ik terechtgekomen bij een potentiële gesprekspartner van Rudi Vranckx. En dat allemaal in het Duits. Het is van m’n tijd op Erasmus geleden dat ik nog zo’n lang gesprek in het Duits voerde. De chauffeur vroeg me of ik moslim was en vervolgde zijn verhaal. Als 16-jarige broeder maakte hij naar eigen zeggen deel uit van de Hezbollah en vocht hij aan de grens tussen Iran en Irak. Net als zijn strijdmakkers kreeg hij een ketting rond de nek, met daaraan een sleutel waarmee hij de deur van het paradijs, vol met wachtende vrouwen, zomaar kon openen. Hij droeg het onthoofde lichaam van zijn beste vriend de grens over, terug naar Iran. Een uur lang. Gedesillusioneerd. Het was z’n vader die hem verloste van de nachtmerrie en met het gezin naar Duitsland verhuisde. Ze begonnen er een nieuw leven.

Ik kreeg zomaar les over godsdiensten en levensfilosofieën. Vooral over hoe ze worden afgebeeld: de katholieken, wat voorovergebogen met gekruiste armen; de boeddhisten, met gevouwen handen; de Joden, met open armen naast het lichaam én tenslotte Mohammed, met het zwaard in de aanslag. Door de jaren heen werden in de regio communisten en ander non-moslim gespuis in de pan gehakt. M’n chauffeur wond er geen doekjes om en verzekerde me dat de islam veruit de gevaarlijkste godsdienst is op deze aardkloot, en dat je als zestienjarige nog een kind en bovenal beïnvloedbaar was. “Geloofde je dan alles wat jou verteld werd?” vroeg ik. “Ja” zei hij, “mijn dochter is ondertussen zeventien, ze is nog een kind. Weet je, als ik dit vertel tegen een moslim dan doodt hij me. Geloof me, islam is zeer gevaarlijk.”

Als artiest en eenvoudige mens hou ik me zo ver mogelijk van thema’s als godsdienst of politiek. Ik heb uiteraard mijn mening, maar die stoot social media-gewijs altijd wel iemand tegen de borst. Vandaar dat ik me veelal laat leiden door ‘leven en laten leven’ en iedereen respecteer in zijn geloof of politieke voorkeur. De gesprekken tijdens de taxirit naar Berlin Schönefeld zal ik echter niet snel vergeten. Ze staan in schril contrast met de voorzichtigheid die wij aan de dag leggen wanneer we het hebben over ‘moslimterreur’, wanneer we dingen benoemen en daarbij vooral niet iedereen over dezelfde kam willen scheren.

“Volgende keer dat je in Berlijn bent kan je best overal een taxi nemen, da’s veel beter voor je portemonnee,” krijg ik nog mee. Of hoe een leerrijk gesprek wordt afgesloten met de reinste onzin. Och ja, taximannen… Als er één iets is waar ik heilig in geloof, dan is het in het openbaar vervoer in Berlijn. Er gaat namelijk niets boven de verbindingen met bus, tram, metro en S-Bahn, die er naadloos op elkaar aansluiten. Makkelijk en goedkoop. Tenzij je je trein mist natuurlijk.

Blonde groeten uit de Koningin der badsteden,

digitale handtekening UDO

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Save

Vrouw te koop!

David_Bowie_Meistersaal

Also, also! David steekt een sigaret op in de studio. Tssss… zou ik niet durven!

Jiehaa!

Dat ik nood heb aan wat vakantie zeg ik al een tijdje. De voorbije jaren leefde ik van drukke periode naar drukke periode toe en slingerde ik van concept naar concept. Tussendoor deed ik nog wat optredens, ging ik hier en daar nieuw materiaal schrijven, nam ik enkele demo’s op, stak wat producties in elkaar, zong ik promo’s te velde, et le reste. Aaaaah, les vacances…

De ‘vakanties’ van de laatste jaren waren telkens in functie van het werk. Zeer leuk, daar niet van –I’m still a lucky bastard, I know! U hoort mij niet klagen, hoewel… 🙂 – maar het blijft ‘werken’ uiteraard. Qua mindset is dat toch anders.

Gelukkig heb ik nog altijd de allerALLERallerleukste job die er bestaat en ben ik nog steeds gedreven door de onderhuidse passie voor muziek, ook al ervaart iedere uitvoerend artiest steeds meer druk in deze ikbetaalnietvoormuziek-tijden. Nu ja, niet allemaal uiteraard. Sommigen hebben genoeg zuurverdiende centen op de rekening staan en anderen denken volgens mij niet eens na over de malaise die ons al zo lang treft.

Maar zoals ik al zei: ‘Jiehaa!’ dus. Mijn leukste vakanties zijn m’n werkvakanties: reizen naar een stad waar je eigenlijk niets van ziet. Wachten, vliegtuigen, treinen, taxi’s, bussen, metro’s, hotels, studio’s, zolders, kelders en restaurants. Niet al te boeiend, maar je komt er wel bij gelijkgestemden terecht; talentvolle mensen, die ook een zekere professionele druk kennen en hun boterham willen verdienen met muziek, maar bovenal toch gepassioneerd zijn door de melodieën die in hun hoofd rondwaren.

Waar was ik weer gebleven? Ah ja: ‘Jiehaa!’. Na iets meer dan een jaar gaat uw muzikale dienaar nog eens een dagje werken in de vermaarde Hansa Tonstudio in het mooie Berlijn, waar onder andere mijn naamgenoot Jürgens en David Bowie geschiedenis hebben geschreven. Niet dat dat mij interesseert -ik vind het idee dat ik enkele keren ga eten in het geweldige coa veel sexier- maar bij elk bezoek is er wel iemand die zich waagt aan name dropping. Nu ja, de vele gouden platen zijn een prima geheugensteun voor charels zoals ik, die niet onder de indruk zijn van grote namen.

Dat wordt toch weer even de ogen uitkijken, want het indrukwekkende gebouw staat vol apparatuur en instrumenten waar de gemiddelde muzieknerd zelfs zijn vrouw voor zou verkopen (echt waar!). Ik schrijf dit pocherige blogbericht natuurlijk vooral om enkele muzikale vrienden stikjaloers te maken, dat spreekt voor zich! 😉

Jolijt alom alweer en ondergetekende heeft opnieuw wat extra energie: tsjakkaa!

Bis zum nächsten Mal auf dem Blog, Udo x